Jiu jitsu betekent letterlijk vertaald: "zachte kunst". Het is een traditionele Japanse gevechtskunst die in de loop der eeuwen zijn waarde heeft bewezen. Ook nu nog vormt het jiu jitsu de basis voor heel wat zelfverdedigingssystemen en competitietechnieken.

In jiu jitsu wordt vaak gebruik gemaakt van de kracht en de energie (inertie) van de aanvaller en van hefboomtechnieken. Een geslaagde uitvoering van een jiu jitsutechniek is hierdoor minder afhankelijk van de eigen kracht van de beoefenaar. De aanvaller wordt in bedwang gehouden of uitgeschakeld door middel van een uiteenlopend arsenaal aan technieken, zoals klemmen, stoten of drukkingen op welbepaalde plaatsen van het lichaam. Om jiu jitsu te beoefenen hoef je daarom niet over grote fysieke capaciteiten te beschikken. Wie regelmatig oefent zal echter al snel vaststellen dat zijn of haar conditie er wel degelijk op vooruit gaat.

Jiu jitsu werd oorspronkelijk door de Japanse samoerai toegepast als ze tijdens een gevecht ontwapend raakte. In Jiu jitsu wordt alles toegelaten. Geen enkele verdedigingstechniek is taboe zoals in sommige andere sporten. In zijn traditionele vorm maakte de gevechtskunst vooral gebruik van klemmen en worpen, omdat deze tegen geharnaste tegenstanders efficiënter waren. Tegenwoordig zijn de klassieke technieken ook aangevuld met stoten, trappen en grondtechnieken.

Een jiu jitsuka (beoefenaar van jiu jitsu) is in het dagelijkse leven dus gewapend met een arsenaal aan technieken om zichzelf te verdedigen. Men mag echter nooit vergeten:

Een vermeden gevecht is steeds een gewonnen gevecht.


Jiujitsu (Japans:柔術), jūjutsuGeluidsfragment luister (info / uitleg)), ju-jitsu of jioe-jitsoe kan vertaald worden als "zachte kunst", of nog correcter als "soepele techniek". Het is een Japansezelfverdedigingskunst waarmee men in een paar seconden een aanvaller kan controleren of uitschakelen. De beoefenaar ervan heet een jiujitsuka. Jiujitsu is als budokunst geschikt voor alle leeftijden. In het jiujitsu leert men zich niet alleen te te verdedigen tegen verschillende aanvallen, maar ook het uitvoeren van verschillende aanvalstechnieken zoals atemi(stoten en schoppen), klemmen, drukpunten en wurgingen.

Jiujitsu is in principe geen sport, hoewel er wel een sportieve versie van bestaat die vaak ook kortweg jiujitsu genoemd wordt, dat het fighting system, groundfight, duo system en Random Attacks kent. Een vechtsport is gebonden aan regels, jiujitsu daarentegen is bij uitstek een vechtkunst, gebaseerd op de aanval van een tegenstander vanuit alle denkbare posities en vanuit diverse vechtdisciplines. Dit impliceert een verdediging die gebruikmaakt van de meest geschikte technieken tegen die aanval. Dat dit gepaard kan gaan met technieken die als onsportief en oneerlijk worden beschouwd in de reguliere vechtsporten kenmerkt juist het jiujitsu. Het moment van verdedigen en de manier waarop er verdedigd wordt is immers het gevolg van de aanval van de tegenstander, hij of zij neemt immers op dat moment het risico en probeert de integriteit van de aangevallene te beschadigen.

 

 

Het jiujitsu is een zeer technische zelfverdedigingskunst. Het oefenen van met name bepaalde subtielere technieken dient doorgaans veelvuldig herhaald te worden voordat deze technieken effectief kunnen worden toegepast.

De technieken uit het jiujitsu worden in drie hoofdgroepen onderverdeeld, de nage waza of werptechnieken, de katame waza of greeptechnieken en atemi waza of slag-, stoot- en traptechnieken.

Bij het toepassen van technieken uit het jiujitsu kunnen de gevolgen voor een aanvaller zeer ernstig zijn. Veel technieken kunnen bijvoorbeeld in botbreuken resulteren. Aan de andere kant is er een zodanige rijkdom aan technieken, dat in zeer veel gevallen de tegenstander onschadelijk kan worden gemaakt zonder hem of haar enige verwonding toe te brengen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van klemtechnieken. Gegeven een bedreiging, kan de jiujitsuka doorgaans kiezen uit diverse technieken, als dit niet het geval zou zijn, zou de verdediging overigens ook te voorspelbaar zijn.

In het algemeen geldt: bij het trainen van elke vechtsport zal het nooit om een echt gevecht gaan. Ten behoeve van een veilige beoefening worden technieken niet 'full contact' doorgezet en de effecten ervan deels gesimuleerd. Als voorbeeld: de jiujitsuka geeft tijdens de training zijn of haar trainingspartner niet voluit een knie in het kruis; de partner suggereert in plaats daarvan het effect door dubbel te slaan waardoor de rest van de techniek kan worden uitgevoerd.

Jiujitsu is een zeer flexibele zelfverdedigingsvorm: als een jiujitsuka een karateka als tegenstander heeft, kan het zijn dat judotechnieken zoals wurgtechnieken en worsteltechnieken effectiever zijn. Tegenover een judoka kunnen karatetechnieken zoals trappen geschikter zijn. Omdat jiujitsu zich niet beperkt tot een bepaalde stijl, kan gewoon iedere techniek die efficiënt is gebruikt worden. De jiujitsuka zal die technieken proberen te gebruiken die de tegenstander juist niet of minder goed beheerst.

 

 

De oorsprong van het jiujitsu (ook wel yawara genoemd) is gehuld in nevelen. Veel beoefenaars beschouwen het als een zuiver Japanse vechtkunst, maar doorgaans wordt een Chinese oorsprong verondersteld.

De Samoerai leerden destijds jiujitsu in scholen die elk van elkaar verschilden, zogenaamde ryu. Als een samoerai tijdens een gevecht werd ontwapend kon hij met blote handen verder vechten. Na het eind van het feodale stelsel werden de subsidies voor de scholen stopgezet en waren de meesters genoodzaakt om jiujitsu te leren aan normale burgers. Later vloog jiujitsu over naar het Westen.

Jiujitsu training op een agrarische school in Japan rond 1920.

Uit het jiujitsu zijn diverse zelfverdedigingsvormen en -sporten voortgekomen, zoals aikido, wat oorspronkelijk Daitoryu aikijiujitsu was, en judo, waarbij de jutsu van jiujitsu een "do", een "weg" is geworden (ju-jutsu → ju-do).

Over de geschiedenis van het jiujitsu bestaan verschillende legendes.

De meest populaire versie is die van Dr. Akiama, een Japans geneesheer die in China een rondreis maakte en daar een gevechtskunst bewonderde. Dr. Akiama maakte zich deze kunst meester en na geruime tijd beheerste hij ze als een ware meester. Hij bleef echter met een probleem worstelen, wat kan hij doen indien deze technieken op hem werden toegepast. Na lange maanden van overpeinzing bracht op een winterdag de natuur het antwoord naar hem toe. Hij zag hoe een van de takken van een kerselaar brak onder het gewicht van een vracht sneeuw. Toen hij de wilg bekeek merkte hij hoe deze veerkrachtige takken doorbuigen en de sneeuw er lieten afglijden. Op slag had hij een oplossing voor zijn kwelling, als men wil overleven moet men veerkrachtig en meegaand zijn. Hij paste de technieken aan naar zijn nieuwste vondst en het jiujitsu was geboren. Deze kunst was zodanig effectief dat de samoerai ze aanleerde om in geval van ontwapening nog in staat te zijn om zich op een afdoende en efficiënte manier te kunnen verdedigen. Naast het iai-jitsu en het kenjitsu werd ook het jiujitsu een belangrijke factor in de opleiding tot samoerai.

Het moderne jūjutsu is dan weer ontstaan uit het jūdō met toevoegingen van technieken uit onder andere karatedō en aikidō. De verschillen tussen het moderne en het - in het westen relatief zeldzame - traditionele jūjutsu zijn vrij groot.

 

Bron : https://nl.wikipedia.org/wiki/Jiujitsu